Conclusie A-G: wettelijke grondslag vereist voor gerechtelijk bevel aan ISP’s voor afgifte NAW-gegevens aan rechthebbenden

Auteur: Future of Copyright - 18-11-2011

Gister verscheen de conclusie van N. Jääskinen, Advocaat-Generaal van het Europese Hof van Justitie, in de Zweedse rechtszaak tussen Bonnier Audio e.a. en ePhone. De twee partijen liggen in de clinch over de vraag of ePhone (Zweedse internetprovider) door de rechter gedwongen mag worden identificerende informatie behorende bij een IP-adres te overhandigen aan Bonnier Audio e.a. (groep van vijf uitgevers), omdat een abonnee via dat IP-adres mogelijk inbreuk heeft gemaakt op hun auteursrecht.

Geschil
Bonnier Audio e.a. zijn uitgevers die onder meer het exclusieve recht bezitten op het reproduceren, uitgeven en distribueren van 27 boeken in de vorm van luisterboeken. Bonnier Audio e.a. stellen dat inbreuk is gemaakt op hun exclusieve recht doordat deze 27 boeken zonder hun toestemming voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt door middel van een FTP-server, een filesharingprogramma dat de overdracht van gegevens tussen computers via internet mogelijk maakt. De internet provider die de gestelde onrechtmatige uitwisseling van de gegevens mogelijk heeft gemaakt is ePhone.

Bonnier Audio e.a. hebben zich tot een Zweedse rechtbank gewend met het verzoek ePhone te gelasten tot mededeling van de naam en het adres van de gebruiker van het IP-adres dat geacht wordt te zijn gebruikt om de betrokken bestanden door te geven. Daarbij refereerde Bonnier Audio e.a. aan § 53c  van de Zweedse auteurswet welke een omzetting is van richtlijn 2004/48/EG inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

Als verweer tegen deze vordering heeft ePhone onder meer aangevoerd dat het verzochte bevel in strijd is met richtlijn 2006/24/EG, ook wel bekend als de Dataretentierichtlijn.

Gerechtelijke procedure
De Zweedse rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek om een bevel tot mededeling van de betrokken gegevens toegewezen. Hierop heeft ePhone hoger beroep ingesteld bij het Zweedse gerechtshof dat het bevel heeft vernietigd. Vervolgens hebben Bonnier Audio e.a. cassatie ingesteld bij de Zweedse Hoge Raad.

Zweedse Hoge Raad
Volgens de Zweedse Hoge Raad blijft er ondank het arrest Promusicae twijfel bestaan over het antwoord op de vraag of het Gemeenschapsrecht in de weg staat aan de toepassing van § 53c van de Zweedse auteurswet. Hierop heeft de Zweedse Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie gesteld:

Staat richtlijn 2006/24/EG in de weg aan de toepassing van een op richtlijn 2004/48/EG gebaseerde nationale bepaling volgens welke in een civielrechtelijke procedure een internetprovider met het oog op de identificatie van een abonnee kan worden gelast aan een auteursrechthouder informatie te verstrekken over de abonnee aan wie de internetprovider het IP-adres heeft toegewezen dat is gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht, wanneer de verzoeker een duidelijk bewijs van de inbreuk op een bepaald auteursrecht heeft overgelegd en die maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel?

Relevant rechtskader
Drie Europese richtlijnen zijn van invloed op deze prejudiciële vraag:

  • Richtlijn 95/46/EG ? verplicht de lidstaten de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen door leidende beginselen op te stellen ter bepaling van de rechtmatigheid van die verwerking.
  • Richtlijn 2002/58/EG ? zet de beginselen van richtlijn 95/46 om in specifieke regels voor de sector elektronische communicatie.
  • Richtlijn 2006/24/EG ? heeft betrekking op de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken.

Analyse door de A-G
Advocaat-Generaal Jääskinen stelt dat de verwerking van persoonsgegevens niet in strijd mag zijn met artikel 5 van richtlijn 2002/58/EG dat bepaalt dat lidstaten van het vertrouwelijke karakter van communicatiegegevens garanderen. Volgens artikel 15 richtlijn 2002/58/EG is echter het mogelijk voor lidstaten om beperkingen te stellen aan artikel 5. In het arrest Promusicae is artikel 15 richtlijn 2002/58/EG als volgt uitgelegd: richtlijn 2002/58/EG sluit, onder verwijzing naar artikel 7 sub f richtlijn 95/46/EG, niet uit dat de lidstaten aan ISP’s een verplichting kunnen opleggen om in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens mee te delen aan derden ter behartiging van het gerechtvaardigde belang van i.c. de uitgevers.

Richtlijn 2006/24/EG heeft betrekking op de bewaring van gegevens door ISP’s met het oog op de opsporing van ernstige criminaliteit. De richtlijn doelt hiermee op een strafrechtelijke context en bewaring van gegevens ten behoeve van gebruik door de bevoegde autoriteiten. In het hoofdgeding gaat het echter om een civiele procedure en worden de gegevens verzocht door particulieren en niet door de handhavingsautoriteiten. Volgens de A-G is richtlijn 2006/24/EG dan ook niet van toepassing op het hoofdgeding, nu het aldaar een civiele setting betreft.

De A-G verklaart verder dat om persoonsgegevens te kunnen mededelen het Gemeenschapsrecht wel eist dat de nationale wetgeving voorziet in een bewaringsverplichting, teneinde te kunnen aangeven om welke categorieën te bewaren gegevens het gaat, wat het doel en de duur van de bewaring is en voor welke personen de gegevens toegankelijk zijn (r.o. 60). De huidige Zweedse wetgeving zal dan ook vooraf en gedetailleerd moeten voorzien in wettelijke beperkingen van de in de artikelen uit richtlijn 2002/58/EG genoemde rechten en verplichtingen. Tot op heden voorziet de nieuwe auteursrechtwetgeving in Zweden daar niet in.

Conclusie van de A-G
De Dataretentierichtlijn is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die bedoeld ter opsporing van ernstige criminaliteit. De A-G stelt dan ook dat de Dataretentierichtlijn niet in de weg staat aan de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan de rechter in een civiele procedure een ISP mag dwingen identificerende gegevens van een abonnee te verstrekken aan particulieren. De identificerende gegevens moeten echter wel bewaard worden met als doel om de gegevens eventueel te verstrekken aan particulieren in civielrechtelijke procedures. Dit dient te worden voorzien door een gedetailleerde nationale wettelijke bepaling die in overeenstemming is met Europese wetgeving.

Ter verduidelijking, de conclusie van de A-G is een advies aan het Europees Hof hoe te antwoorden op de prejudiciële vraag van de Zweedse Hoge Raad. We zullen dan ook moeten afwachten of het Europees Hof de conclusie van de A-G zal volgen.

Lees hier de volledige conclusie van de A-G.

Door: Karen Groen