YouTube sluit deal met National Music Publishers Association
De twee vooraanstaande Amerikaanse vertegenwoordigers van de muziekuitgevers en songwriters, National Music Publishers Association (NMPA) en haar dochteronderneming Harry Fox Agency hebben een overeenkomst gesloten met YouTube, waardoor uitgevers en songwriters royalty's en advertentie-inkomsten krijgen van advertenties die naast de YouTube video’s zullen worden gezet. You Tube's Content-ID zal worden gebruikt om te detecteren welke composities eigendom zijn van een bepaalde artiest, zelfs als geüploade de versie een cover is van een andere artiest.
De NMPA is een vereniging die honderden songwriters en muziekuitgevers vertegenwoordigt. Het was al jaren in een juridische strijd met YouTube beland, maar in 2007 oordeelde een Amerikaanse rechtbank in het voordeel van YouTube. Het beroep is nog steeds aanhangig, maar de NMPA en de muziekuitgevers hebben besloten dit te staken vanwege deze overeenkomst. De dochteronderneming van NMPA, Harry Fox Agency, zal de licentieovereenkomsten gaan beheren en administreren.
YouTube is uitgegroeid tot een groot doelwit van rechtszaken in de muziekindustrie, als gevolg van muziekliefhebbers die liedjes op YouTube uitchecken. Zo heeft één van 's werelds grootste mediaconcerns, Viacom, in 2007 YouTube aangeklaagd, maar de rechter oordeelde dat YouTube als service provider onder de Save Harbor-bepalingen van de Digital Millennium Copyright Act (DMCA) valt en geen algemene monitor verplichtingen heeft. Dat houdt in dat YouTube in beginsel niet aansprakelijk is voor onrechtmatige content (zoals auteursrechtinbreuken) van gebruikers, behalve wanneer zij hierover op de hoogte is gesteld en vervolgens geen snelle actie onderneemt om die onrechtmatige content te verwijderen of de toegang ertoe te blokkeren door een ‘notice en take down’procedure.
Nu kunnen dankzij deze overeenkomst de rechtszaken wellicht verminderen, zal muziek van vele artiesten niet van YouTube worden gehaald, en krijgen songwriters de erkenning die ze verdienen voor hun artistieke bijdragen.
Bron: NYTimes
