Rechter stelt online muziekverkoop gelijk aan uitgeven van een licentie
Een interessante reeks van recente rechtszaken in de muziekindustrie gaat over het verdelen van de opbrengst uit digitale muziekverkoop. Platenmaatschappijen en artiesten die lang voor het digitale tijdperk begonnen met het opnemen van muziek hebben in hun platencontracten vaak geen afspraken over digitale distributie van het werk opgenomen. Dit was twintig jaar geleden eenvoudigweg niet aan de orde. Een aantal "oudere" artiesten zijn nu met hun platenmaatschappijen in discussie over de inkomsten uit hun digitale verkoop. De vraag is hoe kosten en baten moeten worden toegerekend aan muzikanten en platenlabels bij de distributie van een digitaal nummer via een muziekdienst op internet.
Vier jaar geleden hebben de producenten die Eminem ontdekten zijn platenlabel Universal Music Group aangeklaagd vanwege de manier waarop royalty’s voor digitale muziek worden berekend. De entourage van de rapper brengen een origineel – en naar nu blijkt ook overtuigend- argument naar voren. Zij stellen dat er bij de online verkoop van losse nummers sprake is van licentiering van het product en niet van verkoop. Het verschil is meer dan alleen een juridisch woordspel: In het contract van Eminem staat namelijk, net als bij de meeste artiesten voorheen het geval was, dat hij recht heeft op 50% van de opbrengst uit licenties van zijn muziek en slechts 12% van de royalties uit de verkoop van muziek. De rechtbank heeft nu geoordeeld dat Eminem's contract hem recht geeft op 50% van de royalty’s uit online verkochte nummers. Veel oudere muzikanten, die contracten hebben van vóór het digitale tijdperk, zullen naar verwachting hogere uitkeringen krijgen als gevolg van deze beslissing van de rechtbank.
De zaak rondom het management van Eminem is eind vorige week zo goed als afgerond toen het Hooggerechtshof, na een cassatieverzoek van Universal, besloot de zaak niet in behandeling te nemen. Hiermee bleef de uitspraak van de beroepsrechter in stand, inhoudende dat opbrengst uit digitale muziek geacht wordt inkomen uit licenties te zijn en geen royalties uit verkoop van albums of losse nummers. Dit is een bittere pil voor de platenmaatschappijen. De uitspraak treft hen hard aangezien de verkoop van oudere muziek een belangrijke bron van stabiele -en lange termijn- inkomsten is. Het digitale deel van die bron zal nu aanzienlijk opdrogen. Advocaten en deskundigen uit de muzieksector zeggen dat de meeste jonge artiesten niets zullen merken van deze uitspraak, omdat platenmaatschappijen omstreeks 2000 specifieke afspraken over digitale muziek zijn gaan opnemen in hun overeenkomsten. Het eerste contract van Eminem werd in 1995 ondertekend. Muzikanten met contracten van vóór de digitale muziek zullen naar verwachting aanzienlijk profiteren van de rechterlijke beslissing.
De rechters baseerden hun beslissing op het feit dat de overeenkomsten die platenmaatschappijen hebben met digitale winkeliers meer lijken op licenties dan op detailhandel, zoals bij losse cd-verkoop het geval is. De platenlabels leveren eigenlijk maar één opname die vervolgens door het verkooppunt wordt gedupliceerd voor consumenten. "Dit is heel anders dan bij fysieke verkoop, waar de platenmaatschappij kosten maakt omdat zij individuele schijfjes produceert. Aan iTunes geven ze gewoon een ‘master-bestand’" zei Richard Busch, een advocaat voor de eisers.
Royalty-afspraken variëren vaak per individuele overeenkomst. Tegenwoordig krijgt de artiest zo’n 10 tot 15% van de netto opbrengst uit de verkoop van hun muziek, minus de verpakking en andere aftrekposten. Voor licenties ligt dat heel anders. In de afgelopen decennia was het gebruikelijk dat de artiest rond de 50% van de opbrengst kreeg wanneer licenties voor gebruik van de muziek in films, op televisie of anderszins werden uitgegeven.
Naast Eminem heeft ook het management van de Allman Brothers nog een rechtszaak tegen Universal lopen over soortgelijke contractuele kwesties. Deze zaak uit 2008 is nog in behandeling.
Bron: The New York Times
