Opinie: Kunnen web 2.0 bedrijven zich wel altijd verschuilen achter de richtlijn elektronische handel?

Auteur: Ben Zevenbergen - 08-04-2009

Google, Yahoo en vergelijkbare web 2.0 bedrijven komen steeds meer onder vuur van critici te liggen, die beargumenteren dat deze diensten op grote schaal auteursrechten schenden. Artiesten in Engeland hebben een open klachtbrief geschreven over het gedrag van Google in verband met het betalen van royalty’s voor muziek op YouTube. Een commentator, Henry Porter, voegt hieraan toe dat Google zijn monopoliepositie gebruikt om de regels omtrent het betalen van royalty’s op het internet te bepalen. De hoogte van de royalty is bijna nul. Hij vergelijkt Google met een 11-jarig verwend, amoreel lastpakje, die geen benul heeft van de risico’s en benodigde vaardigheden die komen kijken bij het creëren van content. Hij roept op tot een schuldgevoel bij bedrijven, die auteursrechtelijk beschermde werken zonder toestemming gebruiken.


Het overheersende gevoel bij het publiek is, dat artiesten niet moeten zeuren, omdat deze platformen gratis publiciteit voor hun muziek opleveren. Een andere mening is dat Google het bedrijf is dat wordt onderdrukt, omdat zij worden gedwongen door de rechthebbenden om overeenkomsten te sluiten, waar zij geen winstmakende onderneming mee kan onderhouden.


Het proleem is echter dat YouTube en andere user-generated content platformen zich achter een verouderde wet kunnen verschuilen. In de Verenigde Staten is dit de safe harbor provisie van de DMCA en in Europa het artikel 14 van de Richtlijn Elektronische Handel. Deze zijn respectievelijk in 1998 en 2000 in werking getreden,  wat in de oudheid is gezien de zich voortdurende ontwikkelende digitale wereld.


De web 2.0 diensten zijn natuurlijk leuk en nuttig en kunnen voor veel legale handelingen worden gebruikt. Maar de leemte in de wet is dat diensten zoals YouTube auteursrechtelijk materiaal, dat door gebruikers is geupload, kunnen aanbieden en zelfs beschermd zijn tot dat de rechthebbende een kennisgeving aan de dienst stuurt. YouTube pretendeert dus dat zij niet weet welke content zij aanbiedt, omdat dit niet hoeft van de wetgever. Nu is dit op zichzelf een redelijk systeem, maar het gebeurt steeds vaker dat web 2.0 diensten gratis gebruik kunnen maken van de aanzuigende werking van professioneel gecreëerde content (waardoor hun business meer waard wordt) zonder dat er eerlijke compensatie tegenover staat.


In de analoge wereld van televisie en radio weten de omroeporganisaties welke content wordt openbaar gemaakt, dus betalen zij royalty’s aan auteursrechtenorganisaties, die deze weer verdelen onder artiesten. Als Google royalty’s zou betalen, zouden zij toegeven dat zij kennis hebben van de content die op haar website staat. Deze kennis zou er toe leiden dat zij de bescherming van de safe harbors verliest. De safe harbors excepties, achter welke web 2.0 platforms schuilen om andere rechtszaken te voorkomen, zoals de claim van $1 miljard door Viacom, zorgen er uiteindelijk voor dat Google geen royalty’s kan betalen voor user-generated content. Dit is niet alleen vervelend voor de grote platenmaatschappijen, maar ook heel jammer voor de kleine artiesten die op deze manier moeilijk hun werk ten gelde kunnen maken.


Om deze situatie op te lossen moeten de verouderde regels worden herzien, omdat het duidelijk is dat deze worden misbruikt door user-generated content diensten. Een andere optie, die al wordt toegepast door labels, is van zelfregulerend karakter:

artiesten kunnen licentiedeals met deze diensten overeenkomen. Een nadeel is dat artiesten vaak afhankelijk zijn van de grotere platformen voor hun online distributie, dus staan zij in een zwakkere positie bij een onderhandeling.